Potpourri I – het burgerlijk procesrecht

Met de wet houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie van 19 OKTOBER 2015 worden het Gerechtelijk Wetboek, de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, de wet van 17 juli 1984 houdende bepaalde maatregelen van aard tot vermindering van de gerechtelijke achterstand, de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en -rechtbanken, de wet van 15 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel, de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 14 december 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de plaatsvervangende rechters in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel, de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844, de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade en de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen gewijzigd.

De wetgever brengt een aantal belangrijke wijzigingen aan het burgerlijk procesrecht en de interne organisatie van justitie. Bovendien worden kleinere anpassingen en verbeteringen aangebracht.

Belangrijke wijzigingen aan het burgerlijk procesrecht

In het kader van informatisering en digitalisering van justitie wordt aan de uitvoerende macht de mogelijkheid gegeven om het gebruik van informaticasysteem op te leggen aan de actoren van de rechterlijke macht en ermee verbonden instanties.

Het invorderen van onbetwiste geldschulden wordt voortaan exclusieve bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder. Onder bepaalde voorwaarden vermeld in het nieuw ingevoerde hoofdstuk Iquinquies (1ste titel van het 5de deel Ger.W) kan met de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder een uitvoerbare titel verkregen worden zonder langs de rechter te passeren. Dit is absolute primeur in het Belgisch burgerlijk procesrecht.

De regels betreft het advies van openbaar ministerie worden gewijzigd. In meerdere gevallen wordt het advies geen verplichting meer, maar een optie. Ook wat de vorm van het advies betreft zijn er enkele wijzigingen. Ergens onrustwekkend is dat de richtlijnen van het college van procureurs-generaal bindend worden verklaard voor alle leden van het openbaar ministerie. Het lijkt een inbreuk op legaliteitsbeginsel.

Het verstekvonnis moet niet meer binnen een jaar betekend worden. Bovendien is de rechter gehouden alle vorderingen van verschijnende partij in te willigen, behalve als ze strijdig zijn met het openbare orde.

Er zijn belangrijke wijzigingen betreft excepties van nietigheid. Naast proceshandelingen wordt ook de sanctionering van de op straf van nietigheid voorgeschreven termijnen geregeld. Door opheffen van art. 862 Ger.W. verdwenen aantal strengere regels voor bepaalde proceshandelingen waardoor het inroepen van exceptie van nietigheid in vele gevallen zeer moeilijk wordt. Blijkbaar wordt de vorm minder belangrijk in het burgerlijk procesrecht. Het bereiken van het doel door de proceshandeling wordt ook niet meer bepalend bij de beoordeling van de exceptie van nietigheid.

De mogelijkheden tot hoger beroep worden beperkt tot het beroep tegen het eindvonnis. Een beslissing alvorens recht te doen kan niet meer aangevochten worden tenzij samen met de eindbeslissing. Gezien devolutieve werking van het hoger beroep moet deze maatregel het recht op tweede aanleg in het burgerlijk procesrecht beter waarborgen.

Bovendien schorst het hoger beroep de tenuitvoerlegging van het eindvonnis niet meer. Alle eindvonnissen zijn bijgevolg uitvoerbaar bij voorraad. Zelfs indien de eerste rechter voorlopige tenuitvoerlegging heeft uitgesloten, kan deze in graad van hoger beroep gevorderd worden. Dit zou het aantal ongegronde hogere beroepen met enige bedoeling uitvoering uit te stellen moeten verminderen. De regels inzake uitvoerbaarheid betreft de beslissingen van de familierechtbank wijken af van de algemene regels van burgerlijk procesrecht.

De kleinere aanpassingen en wijzigingen aan burgerlijk procesrecht

De betekeningen aan de procureur de Konings mogen voortaan ook aan de parketsecretaris of een parketjurist gedaan worden.

Advocaten dienen voortaan hun tussenkomst per brief aan de griffie melden. Ook bij het beëindigen van de tussenkomst wordt de griffie op hetzelfde manier ingelicht. Voor zolang het niet gebeurd is worden alle kennisgevingen aan de partij met een gewone brief aan haar advocaat worden gedaan.

Op verschillende platsen in Gerechtelijk wetboek wordt in betrekking tot de vordering het woord “onderwerp” vervangen door “voorwerp” wat de bedoeling van de maatregel juist weergeeft.

Art. 744 Ger.W. wordt voor de zoveelste keer herschreven. Nu bevat het meer concrete duidelijke eisen betreft de conclusies. In hoeverre dit door de ‘oude garde’ zal worden toegepast en wat de sanctie zou zijn is voorlopig niet duidelijk.

De bepaling van art. 770, §1 Ger.W. word gewijzigd in de zin dat aan de rechter een verlenging van één maand wordt toegestaan om uitspraak te doen indien de sluiting der debatten gedurende een maand voor de gerechtelijke vakantie plaats vindt.

Maximale termijn van gerechtelijke bemiddeling word op zes maanden gebracht in plaats van drie.

Wijziging betreft verjaring van strafvordering

Voor sommige zware misdrijven en misdrijven tegen minderjarigen is de verjaringstermijn opgetrokken tot twintig jaar. Bovendien blijven de verjaringstermijnen uit art. 21, lid 2 VT.SV. ongewijzigd in het geval van het correctionaliseren.

Wijzigingen aan rechterlijke organisatie

Er wordt heel wat zaken die voorheen door de kamer met drie rechters moesten worden behandeld voortaan toevertrouwd aan de kamer met één rechter. Wel, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg geval per geval de zaken aan de kamer met drie rechters ambtshalve toewijzen. Ook zijn er wat wijzigingen betreft samenstelling van de kamers bij de hoven van beroep.

Verder zijn er aanpassingen wat betreft inzetbaarheid van de rechters naar de noden van dienst alsook inzetbaarheid van de gepensioneerde rechters.

Burgerlijk procesrecht ondergaat dus belangrijke wijzigingen met het oog op verhogen van efficiëntie, informatisering, digitalisering en vereenvoudiging.

Wilt u op de hoogte gehouden worden van wijzigingen in burgerlijk procesrecht en andere wetgeving schrijft u in op onze nieuwsbrief.

Comments are closed